Stallen en weilanden zijn zo ingericht dat de dieren zich zo natuurlijk mogelijk kunnen gedragen.
Bovenop de algemene eisen voor stallen gelden ook de volgende aanvullende eisen voor de huisvesting van rundvee:
|
Melkkoe |
6 m2 per dier |
|
|
Fokstier |
10 m2 per dier |
|
|
Rund tot 100 kg |
1.5 m2 per dier |
|
|
Rund tot 200 kg |
2.5 m2 per dier |
|
|
Rund tot 350 kg |
4 m2 per dier |
|
|
Rund vanaf 350 kg |
5 m2 per dier en minstens 1 m2 per 100 kg |
Houdt u kalveren in een iglo of soortgelijke huisvesting? De maat van de binnenruimte moet voldoen aan bovenstaande afmetingen, de uitloop van de iglo telt hiervoor niet mee.
Het is belangrijk in de afweging of kalveren bij elkaar passen dat de conditie, gezondheid en ontwikkeling van het kalf ook wordt meegenomen. Het is niet mogelijk om een grens af te spreken, waarop het leeftijdsverschil te groot is om kalveren samen te kunnen huisvesten.
Een veehouder heeft 3 kalveren van 6 weken oud en 1 kalf van 1 week oud. De veehouder besluit om het kalf van 1 week oud niet bij deze groep te huisvesten vanwege mogelijke competitie om voer en verdrukking van het jonge kalf.
Niet ieder kalf is altijd gezond en fit. Een kalf dat diarree heeft, niet voldoende melk opneemt of gewond is kan om gezondheidsredenen individueel gehuisvest zijn. Dit is op advies van de dierenarts of op eigen besluit van de veehouder. Het is belangrijk dat de veehouder de situatie kan onderbouwen (denk bijvoorbeeld aan aantoonbaarheid door middel van een dierenartsverklaring). Het is belangrijk dat de individuele huisvesting tijdelijk is, en dat de reden en de duur op elkaar zijn afgestemd. Het is niet toegestaan alle kalveren individueel te huisvesten omdat één kalf gezondheidsproblemen heeft.
Sommige veehouders kiezen ervoor om een kalf bij de koe te houden. Nadat het kalf van de koe wordt gescheiden, is het nodig om het te laten wennen aan het drinken van de speen of uit een emmer. Het kan nodig zijn dat een kalf in die situatie individueel gehuisvest wordt.
Als een kalf de mogelijkheid heeft om op eigen initiatief tijdelijk apart te gaan staan van de koe, dan wordt dit voor beide dieren niet gezien als individuele huisvesting.
Sommige veehouders willen een kalf individueel huisvesten tot het dier het bedrijf gaat verlaten. Het is niet toegestaan het kalf individueel te huisvesten tot het kalf het bedrijf verlaat, Het individueel huisvesten van het kalf op de dag van ophalen is wel toegestaan. Dit voorkomt mogelijke insleep van ziektes door de veehandelaar.
Wanneer een veehouder 4 kalveren bij elkaar houdt, moet er vier keer de aangegeven binnenruimte en buitenruimte beschikbaar zijn geschikt voor het aantal kilo’s van de kalveren. De dieren moeten, als er naast een binnenruimte ook een buitenruimte wordt aangeboden, voldoende ruimte hebben om samen binnen en buiten te staan. Vier eenlingboxen via uitloop aan elkaar maken is in dit geval niet toegestaan, de dieren kunnen dan niet gezamenlijk binnen staan.
Wanneer een veehouder vier kalveren samenhoudt, volstaan bijvoorbeeld twee iglo’s met beide de aangegeven binnenruimte voor minimaal twee kalveren. Dit is gezamenlijk genoeg binnenruimte voor vier kalveren en aanbieden van groepshuisvesting
Kalveren moeten vanaf een leeftijd van 3 maanden wennen aan weidegang en vanaf een leeftijd van 5 maanden volledig weidegang krijgen (uiteraard zolang gezondheids-, bodem-, en weersomstandigheden dit toelaten).
De oudere dieren hebben altijd toegang tot weidegrond. Alleen bij te slecht weer, te natte grond of bij ziekte mag u de dieren binnenhouden. U moet overbegrazing voorkomen. Ook moet u ervoor zorgen dat de weidegronden niet te drassig worden.
Als u stieren ouder dan 1 jaar niet weidt tijdens het weideseizoen, geeft u ze een uitloopmogelijkheid. Hiervoor geldt dat de uitloop voor maximaal 75% overkapt mag zijn.
De minimum oppervlaktes voor een uitloop zijn per dier als volgt:
|
Fokstier |
30 m2 per dier |
|
|
Stieren niet voor fokkerij t/m 200 kg |
1,9 m2 per dier |
|
|
Stieren niet voor fokkerij t/m 350 kg |
3 m2 per dier |
|
|
Stieren niet voor fokkerij >350 kg |
3,7 m2 per dier en ten minste 0,75 m2/100 kg |
Als een weide besmet is met Leverbot kan dit gevaarlijk zijn voor de gezondheid van de dieren en dit kan een rol spelen in de besluitvorming om de kalveren tijdelijk geen weidegang te geven. Het hebben van een (jaarlijkse) leverbot besmetting is geen legitieme reden om de kalveren op te stallen. In essentie moeten de kalveren op de wei. Is er een keer sprake van een besmetting, dan is het akkoord om de dieren op te stallen. Is er sprake van een jaarlijkse besmetting, dan moeten er alternatieven gezocht worden door de veehouder. Het aanbieden van een uitloop is een alternatief voor een incidentele besmetting, maar geen structurele oplossing voor een jaarlijkse leverbot besmetting.
Het langer dan 3 maanden op stal houden van kalveren die niet goed spenen of onvoldoende krachtvoer opnemen, zou een keuze kunnen zijn tot het kalf vitaal genoeg is om op de weide te gaan. Het uitgangspunt blijft dat de kalveren zo vroeg als mogelijk weidegang aangeboden moeten krijgen.
Verordening (EU) nr. 2020/464, Bijlage I, Deel 1.1
Het is toegestaan om voor een periode niet-biologische dieren te laten grazen op biologische weidegrond. Dit mag maximaal 7 maanden op hetzelfde perceel. De niet-biologische dieren mogen niet op hetzelfde moment als biologische dieren van dezelfde diersoort op de biologische grond aanwezig zijn. Het inscharen van dieren houdt u bij in uw beweidingsplan.
De mest van niet-biologische dieren telt mee als A-meststof voor de periode van het jaar dat de dieren geweid worden op biologische percelen. De stalmest van deze niet-biologische dieren telt mee als B-meststof.
U heeft in een duidelijk beweidingsplan vastgelegd:
Verordening (EU) 2018/848, bijlage II, deel II, punt 1.4.2.1.
Uitscharen van biologische dieren op gemeenschappelijke gronden is toegestaan. Er is geen beperking van de periode van toepassing.
Gemeenschappelijke gronden zijn (natuur-)percelen die al minimaal 3 jaar onder het stelsel voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer vallen (SNL-gecertificeerd). Op deze percelen zijn sinds de SNL-certificering geen kunstmest en bestrijdingsmiddelen meer gebruikt.
Vlees en melk van de biologische dieren behouden alleen hun biologische status als biologische en niet-biologische dieren aantoonbaar goed gescheiden zijn (gehouden) gedurende de periode van uitscharen op gemeenschappelijke gronden. De bewijslast ligt bij de biologische ondernemer.