U bent hier: Home > Veehouderij
 
Diervoeding

In principe moet u alle dieren biologische veevoeders geven. Wanneer onvoldoende biologisch voer beschikbaar is, mag u alleen voor varkens en pluimvee tijdelijk gangbaar voer gebruiken. Tot 1 januari 2010 is dat maximaal 10% en daarna t/m 31 december 2011 maximaal 5% van het rantsoen.
De toegestane gangbare voedermiddelen vindt u in Bijlage 5 van EU-Verordening 889/2008.

Bij het inkuilen mag u uitsluitend de toevoegingen en hulpstoffen gebruiken uit Bijlage 6 van EU-Verordening 889/2008.

Alle rantsoenberekeningen zijn op basis van droge stof gehaltes. De berekening vindt plaats over een periode van één jaar. Vooralsnog mag een deel van het rantsoen bestaan uit omschakelingsvoer.

Minimaal 60% van het dagrantsoen van rundvee, geiten en schapen moet bestaan uit ruwvoer (dus maximaal 40% van het dagrantsoen mag krachtvoer zijn). Ruwvoer mag nooit gangbaar zijn.

Aan het dagrantsoen van varkens en pluimvee moet u ruwvoer, vers of gedroogd voer of kuilvoer toevoegen.

De basis van de voeding van jonge zoogdieren moet bestaan uit natuurlijke melk, bij voorkeur moedermelk en in elk geval gedurende een bepaalde periode.

Voor meer specifieke informatie, ook per diersoort, zie Informatieblad biologische veehouderij.