Vruchtwisseling

Vruchtwisseling bij vollegrondsteelten en grasland

Algemeen
Op elk bedrijf met teelten in de bodem moet in principe vruchtwisseling plaatsvinden. In het vruchtwisselingsschema moet u leguminosen, groenbemesters of diepwortelende gewassen telen om vruchtbaarheid en de biologische activiteit van de bodem te behouden of te verhogen en om de ontwikkeling van parasieten, ziekten en onkruiden tegen te gaan.
Skal beoordeelt jaarlijks het complete teelt- of bouwplan. U moet de keuze voor uw vruchtwisselingsschema kunnen toelichten.

Eén- en tweejarige gewassen
U mag van éénjarige gewassen (voeder-, akkerbouw-, groenten-, sierteeltgewassen) in de volle grond niet jaar op jaar hetzelfde gewas op hetzelfde perceel telen. U moet een vruchtwisseling van tenminste één op twee aanhouden.

Na de teelt van een tweejarig gewas moet u in het daaropvolgende jaar een ander gewas op dat perceel telen.

Voor blijvend grasland geldt deze vruchtwisselingseis van één op twee niet, ook niet als het perceel alleen maar gemaaid en niet beweid wordt.

Overblijvende gewassen
Voor overblijvende gewassen zoals fruit-, boom- of bepaalde sierteelt en asperges geldt de vruchtwisselingseis van één op twee niet.

Meer informatie vindt u in het Informatieblad Biologische teelt van gewassen.

 
       
Andere categorieen: